Hebben ouders die het gezamenlijk gezag uitoefenen recht op een gelijke verdeling van de tijd (50-50%) met de kinderen?

In deze zaak benadrukt de Hoge Raad dat het hebben van gezamenlijk gezag over de kinderen niet verplicht tot een gelijke verdeling van de tijd die de kinderen doorbrengen met de beide ouders.

Het onderdeel klaagt dat de door het hof opgelegde 'klassieke' omgangsregeling van twee weekeinden per maand veel te karig is en in strijd is met het in art. 1:247 BW neergelegde beginsel van gelijkwaardig ouderschap, althans dat deze beslissing onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij heeft het onderdeel in de eerste plaats op het oog dat de bedoelde gelijkwaardigheid zou meebrengen dat een gelijke (50-50%) verdeling van de tijd die het kind bij zijn ouders doorbrengt uitgangspunt moet zijn en dat afwijking daarvan goed dient te worden gemotiveerd. Het onderdeel klaagt voorts dat het hof had moeten ingaan op de stelling van de vader dat een gelijkwaardige opvoeding en verzorging de aanvankelijke bedoeling van de ouders was en dat het hof had moeten onderzoeken hoe de situatie op dit punt was toen de ouders nog samenwoonden. Het onderdeel voert verder aan dat de reisafstand [plaats A]-[plaats B] en de gebrekkige communicatie tussen de ouders niet een obstakel van voldoende gewicht vormen om af te wijken van het wettelijk beginsel van gelijkwaardige opvoeding en verzorging door de beide ouders.

Zoals mede blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 1:247 BW - weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5-2.13 - verplicht de in deze bepaling neergelegde gelijkwaardigheid van de ouders niet tot een gelijke (50-50%) verdeling van de tijd die het kind bij elke ouder doorbrengt. Het hof heeft geoordeeld dat het belang van [de zoon] bij handhaving van de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling zwaarder weegt dan bij vaststelling van een regeling die een andere - waaronder ook: een gelijke - verdeling zou inhouden van de tijd die hij bij ieder van de ouders doorbrengt. Dat oordeel berust op een waardering van de feiten, waaronder het gewicht dat toekomt aan de reisafstand en de gebrekkige communicatie tussen de ouders, die aan het hof is voorbehouden. In cassatie kan die waardering niet op juistheid worden onderzocht. Onbegrijpelijk is het oordeel, ook zonder nader onderzoek naar de situatie in de periode dat de ouders nog samenwoonden, niet.

Hoge Raad 21 mei 2010, LJN BL7407