Einde alimentatieplicht bij samenleven met een ander als ware men gehuwd (art. 1:160 BW)

In deze zaak heeft het gerechtshof bij beschikking van 1 februari 2004 de alimentatieverplichting van de man beëindigd en voorts de vrouw tot terugbetaling aan de man veroordeelt van al hetgeen zij van de man heeft ontvangen met betrekking tot de periode na 1 februari 2004. Het Hof heeft daartoe geoordeeld omdat de vrouw vanaf 1 februari 2004 tot december 2005 met een ander heeft samengeleefd als waren zij gehuwd en terugbetaling van de vrouw kan worden gevergd nu zij gedurende verscheidene jaren heeft nagelaten de man op de hoogte te stellen van de wijzigingen in haar leefsituatie.
De vrouw heeft onder meer bezwaar gemaakt tegen de terugbetaling met terugwerkende kracht. Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip samenleven als waren zij gehuwd. Als de rechter tot het oordeel komt dat de in art. 1:160 BW bedoelde wederpartij vanaf een bepaalde datum samenleeft met een ander als waren zij gehuwd, eindigt de verplichting van de gewezen echtgenoot met ingang van die datum. De rechter heeft niet de vrijheid een andere datum dan deze vast te stellen als de datum vanaf welke geen levensonderhoud meer is verschuldigd. (ro. 3.4 & 3.5)
Hoge Raad 28 maart 2008,
LJN BC4844