Wanneer zijn stukken te laat ingediend en wat is de zelfstandige rol van de rechter hierbij?

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad springt volgens de Advocaat-Generaal naar voren dat de rechter weliswaar ambtshalve gehouden is om ervoor te waken dat aan het beginsel van hoor en wederhoor geen geweld wordt aangedaan, maar dat daarbij een zeer belangrijke plaats toekomt aan de door de partijen ingenomen houding. Bij gebreke van een desbetreffend verweer geldt de plicht tot ambtshalve "bewaking" met inbegrip van de plicht om daarvan in het proces-verbaal van de zitting verslag te doen, alleen als aard en inhoud van de stukken waar het om gaat de rechter redelijkerwijs moeten doen twijfelen of er wel voldoende tijd en gelegenheid voor kennisneming en voor de voorbereiding van verweer is geweest; en ook waar er voor zulke twijfel aanleiding was, kan de rechter uit het feit dat de partij in kwestie met de overlegging instemt, afleiden dat hoor en wederhoor in het gegeven geval niet in onaanvaardbare mate in het gedrag zijn gekomen.
Op grond van het vorenstaande kan de conclusie worden getrokken dat het onverstandig is uitsluitend op de rechter te vertrouwen bij de vraag of (ingewikkelde) stukken te laat zijn ingediend. Als advocaat moet bezwaar worden gemaakt tegen het te laat indienen van stukken.
Hoge Raad 20 november 2009,
BJ8540